Innoveren van zelfredzaamheid: maatschappelijke taak of utopie? “Het loslaten van regie hoort ook bij bewindvoering”

Bewindvoerders in Nederland hebben een bijzondere taak op hun bord gekregen: het innoveren van zelfredzaamheid. Wat houdt die taak precies in en belangrijker nog: is innovatie iets dat binnen de branche kan worden uitgevoerd? Marcel Kooi, bestuurder van ZELF, ging in gesprek met Corno van Renssen, voorzitter van Branchevereniging voor Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) over maatschappelijke verantwoordelijkheid, de grenzen aan het vak en innovatie.

Kooi: “Het bijzondere is dat we innovatie van zelfredzaamheid een beetje door de – oneerbiedig gezegd – strot geduwd hebben gekregen door de wetgever. Zonder dat daar kaders voor waren. Zelfs de definitie van zelfredzaamheid is niet eenduidig omschreven. Begrijp me goed: ik vind dat wij als bewindvoerders een hele grote bijdrage kunnen leveren aan zelfredzaamheid. Maar om dat te ontwikkelen blijft een gekke vraag aan een branche die vooral operationeel bezig is. Ik schat in dat geen enkele bewindvoerdersorganisatie een afdeling Research & Development heeft.”

Van Renssen: “Nee, daar heb je gelijk in. Bij bewindvoerders vindt de meeste ontwikkeling on-the-job plaats. Ik denk dat er bij veel bewindvoerdersorganisaties misschien één of twee collega’s zijn die wel eens iets verkennen of uitproberen. Of een idee op papier zetten met de gedachte ‘laten we het eens op deze manier gaan doen’ en daar vervolgens de collega’s in meenemen. Maar daarmee houdt het wel op. Daarvoor zijn onze organisaties gewoon te klein. We vóelen ons wel groot met een paar duizend cliënten, maar in onze branche kennen we in Nederland gewoon geen organisaties van grote omvang. We hebben de dynamiek van kleine organisaties, met – als je geluk hebt – een directeur met wat ruimte voor dingen als kwaliteitszorg en ontwikkeling. Medewerkers die puur met ontwikkeling bezig zijn, die zal je zelden of niet vinden.”

Kooi: “Dan is het dus helemaal niet zo verwonderlijk dat we dat aspect in onze branche nog niet hebben.”

Van Renssen: “Nee, ik vind dat niet verwonderlijk. Maar het is wel een opvallende constatering en het zegt iets over onze sector. Jij hebt een keer gezegd: ‘als sector zijn we flexibel omdat we zowel wat grotere als wat kleinere spelers hebben’. Die kleinere kunnen hun kennis en ervaring direct vertalen naar hun eigen werkwijze. Daarmee realiseren ze wel degelijk innovatie of in ieder geval differentiatie. Beschermingsbewind doet zich in heel veel verschillende gedaanten voor en daarin zit juist ook de kracht van de sector. Je hebt bewindvoerders die hun werk heel erg vanuit de communicatie en het contact met de cliënt invullen. En anderen geven er juist een juridisch financiële inkleuring aan en stellen strakkere kaders. Beide vormen passen bij verschillende doelgroepen cliënten. Dat hoor ik ook wel in het veld: ‘voor deze dakloze ­cliënt zoeken we een bewindvoerder die het straathoekwerk kent’. En die zijn er.”

Kooi: “Dan heb je het over de bewindvoerders die vooral begeleiden, meer dan dat ze als een meester optreden.”

Van Renssen: “Precies. Ik vind dat mooi om te zien bij mensen, die mindset ‘ik wil er echt zijn voor mijn cliënten’. Maar om even terug te komen op innovatie: die is er dus wel, maar niet in die zin dat we een onderbouwde en uitgewerkte methode kunnen neerleggen waar we met z’n allen mee gaan werken. Om op die manier vooruitgang te boeken moeten we veel dieper kijken: welke doelgroep kun je met deze zelfredzaamheidsmethode helpen, wat heeft dat voor effect op de duur van het bewind, hoe beïnvloedt het de zelfredzaamheid, wat is de kans op recidive, enzovoort. Dat is best lastig, omdat de doelgroep zo ontzettend divers is. Daar kun je amper statistiek op bedrijven, laat staan dat er in onze sector volgsystemen zijn waar we dit soort informatie kunnen halen. Afgezien van ervaringskennis weten we over de volle breedte van onze sector écht heel weinig over hoe het gaat met de onder bewind gestelden. Toch denk ik dat het van groot belang is om – vanuit een doelgroepgericht perspectief – onze methodische kennis te vergroten.”

Kooi: “Hoe kijk jij aan tegen het begrip zelfredzaamheid?”

Van Renssen: “Als het niet in de wet gestaan had, hadden we er zelf over moeten beginnen. Voor mij gaat het over inclusie, dat mensen niet buiten de samenleving worden geplaatst. Dat is een taak waar we met elkaar beter in moeten zien te worden. Maatschappelijk wordt sterk gewerkt richting maximale participatie, zodat iedereen mee kan doen in onze maatschappij. En ook in ons werk is dat een belangrijk onderwerp. Ik vind daarbij wel dat het begrip zelfredzaamheid veel te makkelijk op iedereen van toepassing wordt verklaard. Er zijn mensen die niet zelfredzaam zijn en het ook niet zullen worden. Er zijn mensen die beschermd moeten worden tegen hun eigen overtuiging dat ze het wel zelf kunnen. De opdracht tot zelfredzaamheid kan voor sommige mensen hard en kil zijn. Daar moeten we onze cliënten dan juist tegen beschermen. Beschermings­bewind is een krachtig instrument en het kan sterk preventief werken, niet alleen voor financiële problemen, maar ook op allerlei andere levensgebieden. Als de overheid (of wij) te monomaan te sterk sturen op zelfredzaamheid, kan dit een aanjager zijn van de tweedeling in onze samenleving.

Tegelijk wordt een grote verantwoordelijkheid van mensen overgenomen op het moment dat ze onder bewind worden gesteld. Het verliezen van de zeggenschap over je geld en goederen, dat is nogal wat. Vanuit het perspectief van de mensenrechten, het recht op zelfbeschikking, is het daarom van belang om bewind zo kort mogelijk te laten duren en alleen in te zetten als het echt nodig is. Het is dan ook goed dat de wetgever heeft bepaald dat je minimaal eens in de vijf jaar moet evalueren. Ook is het goed dat bewindvoerders wordt gevraagd na te denken over de vraag hoe en waar zij hun cliënten kunnen stimuleren tot grotere zelfredzaamheid.”

Kooi: “Dat ben ik helemaal met je eens. Maar is het voor ons als bewindvoerder niet een hele gekke rol, om de innovator te zijn van zelfredzaamheid?”

Van Renssen: “Wij zijn er niet voor geoutilleerd en we worden er ook niet voor betaald. Want je kunt gedrag van mensen niet veranderen in 17 uur per jaar. Desondanks hebben we wel een stevige maatschappelijke opdracht en verwachting op ons bord gekregen. Wat het ons in ieder geval oplevert – en dat is belangrijk – is een verandering van perspectief. We gaan op een andere manier naar onze cliënten kijken. Van ‘hij zal het nooit leren en heeft altijd bewind nodig’ naar ‘welke mogelijkheden zijn er om deze persoon meer zelfredzaam te maken?’. Maar ik denk dat aanvankelijk niemand een beeld had hoe dat er in de praktijk uit zou moeten zien”.

Kooi: “Enerzijds moeten we bouwen aan zelfredzaamheid, maar de bewindvoerder is ook verantwoordelijk en aansprakelijk voor zijn handelen in het dossier. Volgens mij zit daar een grote discrepantie, waardoor bewindvoerders niet durven loslaten. Want één van de aspecten van zelfredzaamheid is dat je een cliënt de ruimte geeft om te leren en daarbij soms te vallen. Maar dat doet de bewindvoerder niet, want dan is hij bang dat hij aansprakelijk wordt gesteld. Dus doen we het maar zelf. Zo houden we een vorm van hospitalisering in stand.”

Van Renssen: “Is dat zo? Ik hoor rechters zeggen: ‘de bewindvoerder heeft de taak om mensen waar mogelijk zelf te laten beslissen, op de vlakken waar ze dat kunnen’. Dat kan dus ook misgaan. Praktijkvoorbeeld: iemand geeft aan veel bijzondere ziektekosten te verwachten en eist dat dat mee te nemen in zijn voorlopige aanslag richting de Belastingdienst. De bewindvoerder adviseert nadrukkelijk dit niet te doen, omdat het aantonen van deze extra kosten ook in het verleden niet lukte. De cliënt heeft toch doorgezet en moest uiteindelijk een bedrag terugbetalen, heel vervelend natuurlijk. Hij diende een klacht in: de bewindvoerder had hem hiertegen moeten beschermen. De rechter reageerde: ‘nee, je hebt zelf de regie genomen, het is onderdeel van bewindvoering dat je soms ruimte krijgt om je eigen keuzes te maken. Op het moment dat het misgaat, is het niet de bedoeling dat je met terugwerkende kracht de verantwoordelijkheid in de schoenen van de bewindvoerder schuift.’

Dat zie ik ook bij proefperiodes, cliënten die aangeven héél graag maandgeld te willen maar waarbij je als bewindvoerder je bedenkingen hebt. Blijkt halverwege de maand het geld op, dan moet diegene wel eten. Of bij het zelf laten betalen van de vaste lasten. Dat kan wanneer er een buffer is. En als het mis gaat ben je zo duizend euro verder. Daarover hebben we nog nooit een klacht gehad van een rechter in de trant van ‘dat is de schuld van de bewindvoerder’. En ik denk ook niet dat we die gaan krijgen.

Dus ik voel wel wat je zegt. Maar gedeeltelijk loslaten van de regie hoort ook bij zo’n proefperiode. De bank­faciliteiten die je kunt inzetten om daarin met de cliënten mee te kijken zijn daarbij ook behulpzaam. In die zin is er meer mogelijk dan een aantal jaren geleden.”

Kooi: “Je ziet nu wel – de jurisprudentie erop naslaand – dat bewindvoerders vaker aansprakelijk gesteld worden voor allerlei zaken. Ik kan me voorstellen dat je als bewindvoerder geremd wordt om dit soort risico’s te nemen, om iemand regie te geven.”

Van Renssen: “Ik heb het tegenwoordig over positive risk taking. Een risico dat verbonden is aan het geven van meer vrijheid aan een cliënt kan je goed nemen, als je verwachting is dat het risico nieuwe mogelijkheden opent, dat het kansrijk is. Je kan het zien als een investering. Die doe je alleen als je op die investering rendement verwacht. De maatregel beschermingsbewind biedt die ruimte zeker. Dat is in de praktijk het geval als in gesprek met cliënt en begeleiding besluit om stappen naar meer zelf doen en meer vrijheid te nemen, met mogelijk als einddoel dat de cliënt het weer helemaal zelf gaat doen.

Lastiger is het vaak wanneer een cliënt een proefperiode krijgt toegewezen door de rechter. Meer dan eens is ons advies als bewindvoerder ‘de cliënt is daar echt nog niet aan toe, op dit moment is dat niet verstandig’. Omdat zo’n cliënt sterk gemotiveerd is tot zelfredzaamheid, krijgt deze vaak toch een proefperiode van – laten we zeggen – zes maanden. In zulke situaties zie je vaak dat er risico’s worden genomen, met hele teleurstellende resultaten en frustraties voor de cliënt als uitkomst. Het kan hem zelfs een paar stappen terugzetten in zijn ontwikkeling, financieel en op andere levensgebieden.

Bij positive risk taking maak je vooraf een inschatting: dit risico willen we graag nemen en onze verwachting is dat dit iets op gaat leveren.

Als ik het heb over zelfredzaamheid heb ik het over maatwerk. Ik zie een continuüm voor me, met aan de ene kant de volledige bescherming en afhankelijkheid van de bewindvoerder, aan de andere kant volledige zelfstandigheid. Ergens in die tussenruimte zit een persoonlijk optimum. Daar ergens zit ook het punt: bewind past niet meer, de cliënt is nu zo zelfredzaam dat hij zonder bewind toe kan. Dat is maatwerk. En de kunst is wel dat je als bewindvoerder zoekt: waar ligt het optimum voor mijn cliënt? Daarin kun je heel veel kleine stappen zetten.

De verenging van de dialoog over zelfredzaamheid tot de vraag of iemand wel of niet onder bewind staat, vind ik schadelijk voor dit zoeken naar maatwerk en daarmee potentieel schadelijk voor cliënten.”

Kooi: “Ik ben het volledig met jou eens. Wanneer we kijken naar innovatie bij zelfredzaamheid, bij bewindvoering, hoe kijkt de BPBI daarnaar?”

Van Renssen: “Bij leden van de BPBI vindt enorm veel innovatie plaats. Soms gezamenlijk maar vooral bij individuele leden. Innovatie is in ons vak ook nodig. De samenleving vraagt er om en in de visie van de BPBI is daarin een versnelling nodig. De BPBI wil de leden stimuleren en faciliteren om hun inzichten en ervaringen te delen, om zo verdere innovatie bij elkaar te bevorderen.

Een voorbeeld: veel van onze leden hebben een werkwijze ontwikkeld om de zelfredzaamheid van cliënten te bevorderen. Ze doen daarmee ervaringen op. Het zou heel mooi zijn als we deze ervaringen delen en zo van elkaar leren. Een ander voorbeeld: veel leden zijn hun aanbod aan het verbreden, bijvoorbeeld met executele, budgetbeheer, budgetcoaching, mentorschap en curatele. We realiseren ons natuurlijk dat we in een markt zitten waarin concurrentie een rol speelt – en waarin tijd schaars is. En we snappen het ook als iemand denkt: ‘ik heb hier veel tijd aan besteed, waarom zou ik er ook tijd in stoppen om het kunstje aan anderen te leren?’ Toch ligt volgens de BPBI in het delen van vernieuwingen een groot gezamenlijk belang. We maken het er voor onze cliënten, voor gemeenten en voor onszelf beter mee. Ook is het waardevol om onze innovaties zichtbaar te laten zijn. Dat inspireert en laat aan de buitenwereld zien dat we geen navelstaarders zijn, maar professionals, die ons vak serieus nemen en steeds beter willen worden. BPBI zoekt platforms om dat te laten zien en te delen, waaronder dit magazine. Zelf magazine is een mooi medium om te laten zien hoe BPBI en haar leden meebouwen aan het vernieuwen en verbeteren van het werk van en door bewindvoerders en inkomensbeheerders.

Als het gaat om innovatie, kiezen we als BPBI voor de rol van regiehouder en verbinder. Praktisch gebruiken we daarvoor onze nieuwsbrief en bouwen we een online platform waarop leden hun ontwikkelingen delen. Daarnaast zijn er thema’s waarop we als vereniging – samen met andere spelers in het veld – een stempel willen drukken en relevante vernieuwing willen vormgeven. Een voorbeeld is op dit moment de relatie LVB – beschermingsbewind. Daar gaat het ook over zelfredzaamheid en methodiekontwikkeling. We kijken daarbij breder dan alleen bewindvoering, de vraag is meer: wat is passende financiële ondersteuning voor een persoon? Het is mooi en waardevol om als BPBI bij die methodiekontwikkeling betrokken te zijn. We betrekken daar leden en kunnen een rol spelen bij het delen van de ontwikkelde kennis. Daar willen we verder in groeien de komende jaren, om nóg meer een spilrol in de innovatie in onze sector te vervullen.”

Door: Greetje Hingstman

2019-02-11T08:42:19+00:00 11 februari 2019|